Leer hoe je het beste leert samen te leren

Op school kreeg ik les met een geodriehoek van 50 cent. Gekocht bij de HEMA. Ik moest er leren schrijven met een pen. Leren waar Apeldoorn ligt, zodat ik dat nu kan inspreken op Google Maps. Wat maakten ze in Apeldoorn? Papier, natuurlijk. En in Gorcum? Metaal. Dat die stad gewoon Gorinchem is, wist ik dus niet. Ik moest leren wat een dozijn is en hoe je “Waar is de bibliotheek?” zegt in het Frans. Logisch dat je graag naar de bieb wilt als je met je ouders naar Frankrijk gaat.

Nooit kreeg ik antwoord op de vraag waarom ik iets moest leren. Ik wist niet hoe ik kon weten wat nuttig voor mij is. Of dat ik “Wat heb ik daaraan?” tegen mijn leraren kon zeggen. Wist ik veel. Nadenken over je toekomst, over de belangrijkste vaardigheden om te slagen in het leven: niets daarvan. Wel alles van Alkmaar en van kaas. Werkmethodes die jou helpen de meeste meters te maken? No way. Niets over hoe je hersenen werken, hoe die van de docent functioneren of hoe jij zo constructief mogelijk reageert op wat je meemaakt.

Blijkbaar is de stelling van Pythagoras belangrijker dan wat je leert, hoe je leert en van wie je iets leert. Dus: “In een rechthoekige driehoek is de som van de kwadraten van de lengtes van de rechthoekszijden gelijk aan het kwadraat van de lengte van de schuine zijde”. Dat is pas “kennis”. Daarom draait het in de klas.

Ik wil geen lans breken voor onderwijsvernieuwing. Ik ga niet zeuren over hoe slecht het is en hoe dat komt. Waar ik het over wil hebben, is mijn kind. Dit is Nikeé. Op deze foto is hij 1 jaar. Nikeé is nu viereneenhalf jaar. En Nikeé wordt 100. Althans, dat voorspellen de toekomstkijkers. Laat mij jou – door de ogen van mijn kind – meenemen naar de wereld van de nabije toekomst. Een toekomst waar elke docent een leerling is. En elke leerling een docent. Want daar gaat het om: anders leren, anders kijken.

Nikeé leert geen goniometrie meer met een driehoek. Hij leert schrijven door te praten. En niet met een qwerty toetsenbord uit 1873. Of met een pen uit 3000 voor Christus. Nikeé weet vermoedelijk al op zijn zesde hoe hij met stress moet omgaan. Hij groeit op in een wereld waar hij zelf aan gentech kan doen – in de garage. En waar iPhones tijdens de les niet verboden zijn.

Ik denk hierover na, omdat ik al enige tijd lesgeef. Met de meest innovatieve smartboards en iPads. Met innovatieve methodes en de mondigste, meest leergierige klanten. Al die tijd probeer ik erachter te komen wat en hoe iedereen het beste kan leren. Ik doe dat voor mijn studenten. En voor mijn kind.

Het eerste wat ik van Nikeé leerde was dat ik vooral iets moet nalaten. Hij bracht mij bij dat ik nooit moest herhalen wat duizenden docenten voor mij hebben gedaan: iemand iets willen leren waar die later helemaal niets aan heeft. Want dat levert veel te weinig op.

Een voorbeeld. Nikeé was net drie jaar oud. Hij wilde nog een toetje. Maar hij had er al twee op. Toch wilde hij er nog twee halen. Ik vond dat goed, hij banjerde naar de keuken en kwam terug met drie. “Hoeveel heb je er nu?” vroeg ik. “Vijf.” Uiteraard was het oog groter dan de maag, want het laatste toetje lustte hij niet meer. Ik zei: “Hoeveel heb je er over?” En hij: “Eentje, papa.” Nikeé was drie. Hij kon al rekenen. Het maakt dus niet uit of iemand oud genoeg is om iets te leren.

Ik kon Olvarit in mijn kind stoppen. Voorkomen dat hij van de trap valt en niet uit de zandbak eet. Alles “voor zijn”. Dan zou hij slechts leren dat ik er altijd ben om alles te voorkomen. Maar misschien leert hij dan nooit goed om te gaan met de problemen die er overal zijn. “Wanneer ben ik succesvol als vader?” vroeg ik mij af. Als ik hem op zijn twintigste niet hoef te vertellen hoe de wereld in elkaar zit? Hoe mensen met elkaar omgaan, hoe je teleurstellingen verwerkt, of hoe je ervoor zorgt dat je elkaar blijft ontwikkelen?

Daarom mocht Nikeé van ons in zijn eentje de trap op zodra hij kon kruipen en in het bos op onderzoek gaan. We lieten hem messen gebruiken die heel scherp zijn. Als het uitkwam pakte Nikeé zijn iPhone en belde hij opa en oma in facetime. Al op zijn derde wilde hij met zijn vriendjes naar de basisschool. Maar dat mocht niet van school.

Je begrijpt: de crux zit in het toetjesverhaal. Mag jouw kind vijf toetjes? Het antwoord is “Nee. Nikeé mag van mij geen vijf toetjes hebben”. Wat Nikeé wel mag, zelfs moet, is mij leren uitleggen hoe hij wil leren hoeveel toetjes hij van zichzelf mag hebben. Hoe hij mij en zijn moeder vertelt en leert wat hij moet doen met overdaad.

Hij mag dat, omdat hij heeft geleerd ons te bevragen over de risico’s en consequenties van zijn handelen. Zo leren wij samen het beste. En zo leren wij van elkaar. Anders gezegd: Wij leren hoe je het beste leert samen te leren.

Ander voorbeeld. Na een les of college krijgen studenten soms een evaluatieformulier. Daarin kunnen ze aangeven wat ze hebben gemist. Of ze het een “inspirerende les” vonden. Dat de docent kundig was en hetzelfde drie keer op een andere manier kon uitleggen.

Wat heb je aan dat soort vage feedback? Hebben deze studenten geleerd commentaar te geven op hoe ze willen leren? Of hoe ze jou moeten corrigeren? Weten ze dat zijzelf verantwoordelijk zijn voor hun leerproces? Vast niet; zij zijn docenten gewend die schools vertellen hoe de toekomst eruit uit. Zonder twijfel, zonder weerwoord. Ik kon er mijn vinger niet achter krijgen.

Nu heb ik geleerd te luisteren naar mijn kind. En te achterhalen waar hij mee zit. Op mijn beurt heb ik hem geleerd mij te evalueren en te reageren op hoe ik iets vertel. Daardoor heb ik veel vertrouwen gekregen in wat hij doet en hoe hij dat doet. Alles wat ik op die manier leer kan ik in mijn werk toepassen. Waarom worden mijn lessen dan niet beter als studenten ze evalueren? Omdat ik ze niet heb geleerd mij te evalueren.

Het eerste dat ik tegenwoordig bij een klant doe, is uitleggen mij te leren hoe hij het beste leert. Ik weet dat niet vanzelf. Ik weet alleen dat ik snel moet kunnen improviseren. Ik weet ook dat ik het vertrouwen heb om daarin fouten te mogen maken. Klanten leren sneller als zij mij leren hoe ze willen leren. Elke docent een student. En omgekeerd. Koppel dus terug, geef elkaar feedback. Maar ga verder dan “Waarom moeten wij dit weten?”

Laat dat nou het mooie zijn van innovatie. Een vakgebied waarvan ik veel weet. Innovatie is een iteratief proces van passen en meten. Van ontwerpen, maken, terugkoppelen, herontwerpen, enzovoorts. Wie niet reageert en geen feedback geeft, is nergens. Pas dat dus toe als leermeester. Daag mensen uit, laat ze opbouwend reageren op jou, op elkaar en zichzelf. Alert, scherp, maar fair. Nooit “op de man” of destructief.

Ik wil van jullie leren. Leren hoe je het beste kunt leren samen te leren. Laat weten hoe je wilt leren en hoe jij anderen leert iets van jou op te steken. Stel je in op “ontvangen”, want van alleen “zenden” leert niemand beter.

Tenslotte. Wie niet eerst anderen leert leraar te zijn, kan niets herontwerpen. Niet innoveren of verbeteren. Die blijft steken in de Grote Bosatlas. Om oneindig vaak met een HEMA-geodriehoek van 50 cent de afstand uit te meten tussen Gorinchem en Apeldoorn.